Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rusten, doch stak de handen uit de mouw in de schuur of op den akker.

Deze toestand had reeds ruim zestien jaren bestaan, en oom was onmerkbaar een kleine veertiger geworden. Het zaakje was uitgebreid, er was land bijgekocht en op stal stonden een paard en eenige beesten. Het was wel nagenoeg de eenige boerderij die bloeide, en de omwonende boeren hadden meer dan eens aan Lorins daarover hunne verwondering te kennen gegeven. De jonggezel maakte er zich steeds af door te zeggen: „Je! Jamba en Handrien zeen wirkèzels, en det vrournes is zoo zunig es de wèèrlicht."

Maar daarin zat het hem niet. Een feit was het dat Lorins steeds zijn verdienste, waarvan niets afging dan een kleinigheid voor verteer en kleeding, aan Jamba ter hand stelde, „want,' zeide hij, „ich weit-er geine wèèg mit. Bewaar ich 't, dan kan 'et verbranje of gestaole wèère, bewaart eemes angers 'et, don höb ich kans det ich niks trök krieg1). Nèè, Jamba, in de gronjd en in 'et vee weurd 'et gestaoke, dan diejt-et" 2).

Het had hem nooit berouwd dat hij er geen spaarpot van gemaakt had, totdat hij eenige maanden geleden was in kennis gekomen met een meisje uit een dorp in het Overmaassche, dat in de stad diende, en waarop hij weldra tot over de ooren verliefd was.

En zelfs na dien tijd had hij nooit spijt gevoeld, maar toch was meermalen de gedachte bij hem opgekomen: „als ik zoo doorga, is er voor mij nooit sprake van

1) Terug krijg.

2) Diejen — dijen.

Sluiten