Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in beter stemming dan hij in zijn jonge iaren uit de kerk had meegebracht.

Alle pogingen van den pastoor om dit verloren schaap terug te voeren tot de kudde, hadden schipbreuk geleden, en ten laatste hadden èn herder èn dorpelingen er in berust. De naam, hem eens door den schoolmeester gegeven, die zeide dat hij een Anti-christ was, had eerst allen doen schrikken, daar dat wel het ergste moest wezen, wat kon bestaan. Eerst langzaam, heel langzaam was de goede verhouding tusschen de dorpelingen en oom Lorins teruggekeerd, en had die schimpnaam een minder onaangenamen klank gekregen, al was hem die ook steeds bijgebleven.

Zooals wij zagen, bleef ook nu oom in stilte zitten, terwijl de anderen baden, en begon eerst kalm te eten toen alle lepels reeds in de pap waren terecht gekomen.

Onafgebroken werd er nu gelepeld, en men hoorde niets meer dan het geklikklak op de borden en het snuiven der haastige kinderen.

Deze waren dan ook het eerst klaar en zagen vol ongeduld naar oom, die kalm zijne portie verwerkte.

Moeder nam als naar gewoonte de borden der kinderen om ze nog eens te vullen, doch allen vielen in met uitroepen als: „Ich bleef neet meer!" „Ich höb genög, mooder!" en „Mooder, ich kan neet meer!"

Moeder begrijpt het heden best, de verwachting van de flaai en het ongeduld zit hen in den weg, en zij worden nog op eene harde proef gesteld, als oom Lorins zijn bord kalm overreikt met een : „Es-te-bleef, Handrien."

Vader en moeder nemen nu ook nog een bordje, en in ademlooze stilte tellen de kinderen de lepels, die met

Sluiten