Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar treft zijn oog de flaai, die door Handrien op tafel is neergezet en hij reikt ook deze laatste de hand, terwijl hij dreigend zegt:

„Handrien, es-te zóó begins, dan wèèr ich pordjen kwaod."

De huisvrouw lacht eens hartelijk en beantwoordt hem met een: „Noe Lorins, es-doe daorom kwaod weurs, dan zal ich d'r dich achternao nog ein tweede mótte

bakke, om dich weer good te kriege Alla! Op eur

plaats, kinjer. Wèè löst tiaai?"

Ziedaar het feest in gang; flaai en koffie verdwijnen tot ieders genoegen, en als de kinderen, zwart met pruimen bemorst van oor tot oor, met moeder zijn afgetrokken, rooken beide broers nog een extra-pijpje.

Wij zijn drie maanden verder; in het begin van November. Het veld is bemest, de winterrogge gezaaid, en Jamba maakt van de minder drukke bezigheden en de lange donkere avonden gebruik om een centje te verdienen met het inheemsche smokkelen.

Heden brengt hij koffie naar Risbeck, het eerste dorpje over de Duitsche grens, en nog in den nacht zal hij terug komen met spiritus in blazen.

Oom Lorins heeft juist den langen weg uit de stad afgelegd, en is het woonvertrek binnengekomen. Zijne eerste vraag is naar Jamba.

„Dèè is oet, en hèè kumt vanaovend eerst laat heim," zegt Handrien aarzelend.

Oom fronst de wenkbrauwen en zegt knorrig: „Handrien, ich meinde des-doe meer te zégge hads euver

Sluiten