Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

seeren. Nog gisteren had hij zijn broer alles willen meedeelen, en hem vragen een beest te verkoopen, om hem de opbrengst daarvan af te staan.

Negentig stuk1), rekende hij, zou dat licht hebben opgebracht, en met een spaarduitje van twintig daalder2) zou dat ongeveer tweehonderdvijftig gulden hebben bedragen, genoeg om huisraad te koopen.

Dat alles was nu voor altijd verdwenen, en hij werd bijna radeloos, wanneer hij dacht aan Siska, die hij had gehoopt eenmaal de zijne te mogen noemen.

„Wie hingt toch 'et gelök van de mins altied aan ei zieje vèèmke" 3), zuchtte hij, en terwijl hij opstond en rondwandelde, teekende zijn gelaat den grooten strijd, die er in zijn binnenste gestreden werd.

Hoe hij dacht en peinsde, hij zag geen lichtstraal in deze duisternis, en telkens weer herhaalde hij de beide volzinnen, die zijn zielstoestand schilderden. „Ich höb 'et hem belaofd;" en „het gelök van eine mins is krek

ei spinnegewèèf'4).

Langzamerhand had hij de lamp weer opgestoken, een velletje papier en eene enveloppe gezocht, een fleschje inkt en eene pen gevonden, en nu ging hij zitten voor het ongewone werk.

„liefste sieska!" — Dat stond er al een uur lang, en nog was de rest blanco, tot in eens als bij ingeving de pen over het papier gleed en het navolgend schrijven ontstond:

i) Een stuk — 5 francs ~ f 2.40.

?.) Een daalder telt er f 1.80.

3) Zijden draadje.

4) Spinneweb.

Sluiten