Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewijzigde omstandigheden der weduwe, en allen zijn het er over eens, dat de antichrist nu maar eens iets doen moest „want hij had lang genoeg uit den pot van zijn broer mee gegeten, en behalve een beetje metselen toch nooit veel uitgevoerd."

Op de grens der gemeente gekomen, houdt men stil en spoedig nadert de pastoor. Voor hem uit loopt de koster met hoog opgeheven crucifix, terwijl achter hem de kapelaan en twee koorknapen volgen. De drie eersten zijn gehuld in het wijd geplooide, witte overkleed, welks breeden kanten zoom de zwarte toga zichtbaar laat. De beide koorknapen dragen een langen witten mantel, „röckel" genaamd, en daarover een zwarten schouderkraag.

De geestelijken stellen zich thans aan het hoofd van den stoet, en terwijl deze zich in beweging zet onder het plechtig eentonige gezang van het „De Profundis", meldt dof-droevig brommend in sidd'rende golven de doodsklok den dorpers, nu luid dan verstommend naar 't windjen het voortdraagt, het heengaan van een.

Plechtstatig en langzaam gaat 't stapvoets ter kerke; de doodenzang klinkt in de herfst-yle lucht, de kerkklok galmt grommend en klagend daarboven, en 't lijkvolk bid zacht; 't is half lisp'len half zucht. —

De doodsklok zwijgt stil, want de kerk is betreden, en de lijkbaar is tegenover het altaar in de middenruimte geplaatst, omgeven door zes waskaarsen, waaraan een geschilderd doodshoofd met kruisbeenderen bengelt. Over de lijkkist is thans een zwart fluweelen kleed gespreid met geborduurd zilveren kruis.

Sluiten