Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich voor ze te slikken uit hetzelfde plichtbesef dat in alles tot nu toe zijn leidsnoer was geweest.

Een paar maanden later vinden wij hen beiden op de pastorie, om de gebruikelijke vragen en antwoorden te wisselen, die moeten aantoonen, dat de hoofdpunten des geloofs, zooals die in den catechismus zijn neergelegd, door hen nog worden gekend.

Handrien kent ze op haar duimpje, vooral doordat zij telkens Driek de les overhoort, die dit jaar de eerste H. Communie moet doen.

Met Lorins is het minder goed gesteld.

Het wil er bij hem niet in dat de Bijbel, dat groote wetboek, niet zou mogen worden gelezen door allen, voor wie het geschreven is. Wel dweept hij met de zuiver menschelijke leer der naastenliefde en ziet in hooge vereering op naar de Jezus-figuur, maar hij kan geen ja! en amen! zeggen, wanneer de bedienaar van den godsdienst, die zich priester van den Christus noemt, ontaart in winkelier, kiesagent of godje, wanneer de godsdienst zelf tot slaafsche vormendienst wordt, wanneer bidden wordt: het opdreunen van eene van buiten geleerde, nooit begrepen^ les. Op de hem eigen ongekunsteld-boersche wijze geeft hij uiting aan die gedachten. Hij verklaart eerlijk niet te gelooven dat de Roomsche de eenig-zaligmakende kerk is, en beweert dat elkeen, t zij Turk of Heiden, die als mensch tracht in zijn soort zoo goed mogelijk te zijn, zalig moet worden. Zou dat niet het geval zijn, aldus redeneert hij, „dan is mie gelouf aan ein Rechtvèèrdigheid baoven ós glad weg, en dank ich veur al waat verder volgt. Nèè, meneer pestoor, et zit 'em d'r neet in, in

Sluiten