Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

breeden schoot nam en dat geliefdkoosde lied in 't rond weerklonk; herinnert ge 't u niet meer? Ze had zich gemakkelijk neergezet in den grooten stoel; een stoof, waarin een verwarmend kooltje gloorde, ondersteunde haar groote, afgedragen pantoffels en haar hobbelende knieën zetten zich er toe, de maat van het gezang aan te geven.

Hoor, daar vloeit het van hare lippen:

„Buite in de biesies

Daar lag er un hondje dood;"

De vertolkster doet ons in verbeelding verwijlen buiten de wallen van zeker stadje. Hoe weet ze ons onder indruk te brengen, hoe doet ze ons onze omgeving begrijpen! Weinig verbeeldingskracht is er voor noodig om in haar stem, als ze aan het lang-suizende „bie--sies" gekomen is, op te merken hoe de wind door het riet blaast en fluit. Het overige scheppen wij er ons als van zelf om heen. In den tweeden regel maakt ze ons met een krachtigen, korten trek — maar daarom niet minder duidelijk — bekend met den held van haar drama.

Dan volgt eene korte toelichting van 's armen hondjens toestand:

„Zun staartje was bevrore En zun billetjes lagge bloot."

Vooral deze regelen zijn rijk aan gedachte, inzonderheid uit een aestetisch oogpunt voor de jeugd. Doch laat ons vernemen wat verder geschiedt:

„Toe kwam Leisie Lonke,

Die zei: ut hondje was dronke,"

Sluiten