Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Baker's knieën komen in heftiger beweging en eindigen met een volmaakten galop; blijkbaar wil ze ons begripsvermogen te hulp komen om te doen hooren hoe hard het hondje „met zun staartje al tussche zun been niet tusschen zijn bee n e n — wel wegloopt. En wij, kinderen, zetten oogen op, zoo groot dat ze uit hun kassen dreigen te komen. „En het hondje was dood?!" is onze eerste vraag, die tegelijk een uitroep over iets onbegrepens is. Tóch is 't zoo; baker heeft het zelve gezongen en wat die zegt, staat als een paal boven water. Een droevig begin dus met eene blijeindigende ontknooping!

't Kan best zijn, waarde lezeres, lezer, dat ik me in de volgorde der regels van het gedicht ietwat vergist heb; dat, om iets te noemen, nóg enkele minder of meer belangrijke personen zich bij de belangstellenden aansloten; dat, bij voorbeeld, eerst „Jan de slager" en toen „Leisie Lonke op de plaats des onheils arriveerde. Vergeef het mij in dit geval; bedenk, 't is al zoo lang geleden dat het mij in de ooren klonk, terwijl mij eene latere gelegenheid ontbrak om het heerlijke lied nog eens in al zijn schoone finesses te hooren voordragen — aan één kant maar gelukkig ook voor baker, zooals k u reeds vertelde! Maar vast staat het, dat „Jan de timmerman" de laatste persoon was die op de droevige plek aankwam, want aan zijne vaardige hand alleen was het te danken, dat het drama eene zoo vreugdevolle oplossing hebben mocht!

Nog een ander schoon lied, waaromtrent ik evenwel niet in nadere beschouwing zal treden, was:

Sluiten