Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groeit!" werd gekscherend in het midden gebracht van een der tafels, waaraan een paar jongelieden zaten te poetsen.

„Stil nu, Gerritsen, houd jij de lui nu niet voor den mal, waarachtig, vriendje, je bent zelf nog zoo groen als gras", vermaande de eerste spreker, waarna hij zich weer tot Bramsen wendde met de vraag:

„Weet je je krib te vinden? De vierde van af het gindsche raam, je naam staat er op. Maar zeg me eerst eens, waar kom je vandaan?"

„Uit den Haag."

„Oef, wat begint het hier te waaien!" kreet plotseling de met den naam van Gerritsen aangesproken poetslustige; een uitroep, die blijkbaar een grappigen indruk maakte, te oordeelen naar het welbehaaglijk gegrinnik,

dat er op volgde.

Doch de korporaal was opgestaan, en zijn boek nederleggende, stapte hij met uitgestoken handen op Bramsen

toe, zeggende:

„Dus zijn we landsen! Dat doet me genoegen. Ik heet Pinters, korporaal-titulair Pinters. Zie je, kameraad, als ik je met iets helpen kan, heb je maar te spreken, hoor. Wij, Hagenaars, moeten elkaar de hand maar boven het hoofd houden, anders zijn we geleverd, te midden der tallooze peenplukkers, die hun afgunst op onze schitterende geboortestad steeds zoeken te uiten in flauwiteiten en grappen, waarvan de aardigheid voor 'n gewoon mensch ver te zoeken is. Zie, hier kom je te liggen."

Dit zeggende, had korporaal Pinters Bramsen onder den arm genomen en hem statelijk naar zijn krib ge-

Sluiten