Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekabbel en regelmatig loopplankingehaal eens een einde kwam door de aankomst te Drummeien, hoewel dat een begin zou zijn van een andere eentonigheid.

Bij de aanlegplaats der boot (de eenige, buiten twee beenen en een boerekar, verbindingsgelegenheid met de verdere wereld) krijgt men al dadelijk den vollen indruk, hoe vreeselijk het wonen daar moet zijn voor iemand, die doordenkt en leven wil in den echten zin des woords.

Eerst een zanderig en modderig wegje op, waar bij haastigen tred de kluiten slijk u om de ooren spatten.

Vervolgens trokken wij (laat ik u zeggen, dat een jeugdige boerenmaagd mij uit naam van de familie Taets opwachtte) een achterbuurtje door, op zoo'n bijzondere wijze geplaveid, dat het was alsof men, in de gedachte van pepernoten te hebben, een karrelading keisteenen gestrooid had, die soms als grafzerken omhoog stonden en mij op een hinderlijke manier aan het verstand brachten, dat exteroogentinctuur maar larie was.

Toen holden wij (want Teuntje nam passen, alsof zij door een dollen hond achtervolgd werd) de hoofdstraat door, aan beide kanten omzet met boerenwoningen, sloegen weer een straat in en kwamen zoo vlak voor het huis.

Neef en nicht stonden mij al op te wachten aan de deur: neef met de lange pijp in den mond en nicht hard breiende, zoodat ik van verre al het gerammel der breinaalden kon hooren. Dit waren buiten Teuntje de eenige levende wezens, die ik zag in dat dorp.

Neef is een goede zestiger en nicht, zijn zuster, een paar jaartjes jonger.

Sluiten