Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zeide een logée te zijn van Dominee Taets, een nichtje.

Op de vraag, of neef thuis was, antwoordde ik ontkennend, doch dat hij wel gauw thuis zou komen en toen hij voorstelde maar op hem te wachten, aangezien zijn huis te ver was, kon ik niets anders doen, dan hem voorgaan in de zitkamer en hem, den burgervader, gezelschap te houden.

Of zoudt jij dat niet gedaan hebben ?

Natuurlijk zei hij, dat als ik uit wou gaan, ik mij niet moest ophouden, doch ik was zóó blij eindelijk eens wat anders te spreken dan neef of nicht, dat ik met volle overtuiging beweerde volstrekt geen haast te hebben.

Toen kwam het gesprek natuurlijk op de landstreek en hij moest toestemmen, dat hier niet veel afwisseling in de natuur was: alles vlak land, een enkel boschje boomen er tusschen en daarmee uit. Vervolgens werden de genoegens te Amsterdam behandeld: Wagnerconcerten, de Hollandsche Opera en zei hij, dat hij viool en piano speelde en toen gingen wij beiden ons muziekrepertoire na en bleek het, dat wij zoowat denzelfden smaak hadden, alleen dweept hij meer met Wagner dan ik, noemt de Lohengrin een der schoonste opera's die hij kent en kan zich maar niet begrijpen, hoe ik soms de aanhechting tusschen de muziekgedeelten onderling zoo dun vind.

Daarna werden de familieleden en kennissen behandeld, jij werdt ook nog in het gesprek gemengd en zei hij gelijk met een neef van je gestudeerd te hebben, den razenden Roland, zooals hij genoemd werd. Na zijn studietijd kwam dit postje van burgemeester open en

Sluiten