Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ... opzoeken" en tracht daarbij op handige wijze het kleine geldlaadje in zijn bureau terug te schuiven. Maar juist die overgroote handigheid trekt de attentie van den heer Villoy en als hij na een kwartier het huis van zijn zwager verlaat, is hij vaster dan ooit er van overtuigd, dat Frans dieper is gezonken, dan hij dacht.

„Geld ook noodig, dan speelt hij" peinst de arme vader, en nog eens den volgenden morgen neemt hij Frans apart, en smeekt hem met tranen in zijn stem afstand te doen van zijn tegenwoordige levenswijze en de liefdevolle, smeekende blik uit die trouwe oogen, zijn hartelijke vermanende woorden, bezorgen den armen Frans het moeielijkste half uur in zijn leven.

„Waarachtig Rob, zóó hield ik het geen 14 dagen meer uit" zegt hij 's-avonds in de huiskamer van mevrouw Balders „ik zou het moeten zeggen — mijn arme, goeie vader!"

„Nog maar 3 dagen Frans, en dan — want komen moet je er, mijn jongen" klinkt Mevrouw's hartelijke stem.

En hij komt er. De beide jongens leggen een prachtig examen af en duizelig van geluk, treedt Frans met Rob naar buiten uit het gebouw, waar hun harten dien dag zoo angstig geklopt hebben. De stemmen der voorbijgangers, het geratel der rijtuigen: als in een droom komt het uit een groote verte tot hem en met zachte hijgingen komt de adem over zijn lippen.

Rob is uitgelaten: „Zeg nog niets thuis, Frans, ik zend je vader een telegram als je al thuis bent — toe kerel, voor de aardigheid!" juicht hij in zijn opgewondenheid, en aangestoken door zijn extase, stemt Frans toe.

Sluiten