Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij snel de achtergaanderij komt binnen loopen, „je krijgt vanavond gasten. De Nimrod is dezen morgen op de reede gekomen. Mijn vriend de Raad komt van avond met een jong officier, ik geloof dat hij Frans Duprez heet, bij ons eten. Ik ben blij dat ik den ouwen jongen weèr eens te zien krijg. Betsylief, pas op je hart, meid!" voegt hij er lachend bij, terwijl hij haar in de wang knijpt. Een vermanende blik van zijne vrouw, een vragende uitdrukking in Betsy's oogen houden waarschijnlijk de aardigheid terug, die hij er nog aan toe wil voegen. Betsy is een kind en hij is er blij om dat zij zich niet reeds zoo volwassen voelt als zoovele meisjes in Indië op dien leeftijd.

,,'t Schikt je toch wel?" vervolgt hij, zich tot zijn vrouw wendende.

„Zeker. Betsy zal me wel door de drukte heen helpen."

„Nu, dan ga ik maar weèr naar de Kotta J). Er is veel te doen op 't kantoor. Bonjour!"

Omstreeks zeven uur 's avonds komen de beide gasten. De oudste, de heer de Raad, is sinds jaren de huisvriend der familie Rijs. De jongste, de heer Duprez, is de door hem geïntroduceerde zeeofficier. Hij is een jong mensch van omstreeks zes en twintig jaar. Niemand zal ontkennen dat hij tot de „mooie" mannen behoort, al draagt 't gelaat, voor den oplettenden beschouwer, sporen van zwakheid van karakter. Regelmatige gelaatstrekken, oogen waarvan de een zegt dat ze blauw en de andere dat ze bruin zijn, een fijne blonde baard, eene melodieuse stem, onberispelijke manieren, al deze hoedanigheden maken

1) Kotta, stad. II.

8

Sluiten