Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veel sterker dan zij, en toen ze beseft had, dat de God, dien ze beterschap wilde afsmeeken dan toch haar Frits had ziek gemaakt, had ook zij geen behoefte meer aan bidden, en met een innigen, langen kus, zei ze:

„Je hebt gelijk, Frits, laten we dan het beste hopen!"

's Middags kwart voor drieën reed een rijtuig voor de deur; een oogenblik later rolde het weg met zijn droeven last: de lijder in dekens gewikkeld bij eiken schok ineenkrimpend van pijn ; daarnaast de jonge vrouw met drooggeween'de oogen, niet meer beseffend wat er gebeurde, half wakend, half droomend.

In de ziekeninrichting ging alles gewoonteachtig vlug. Onhoorbaar had de lift hen naar boven gebracht; snel en voorzichtig legde men den patiënt in een rolstoel, die onmiddellijk werd voortgeduwd, zij er achter loopend. Een oogenblik later was hij te bed gelegd.

„De dokter zal zoo dadelijk wel komen", fluisterde de hoofdverpleegster, en toen deze met geoefend oog zag hoe de jonge vrouw aan het eind van weerstand was, had ze gezegd :

„Toe Mevrouwtje, gaat u met mij mede naar de wachtkamer ik zal u gezelschap houden, u zult dadelijk alles weten. Zegt u Mijnheer nu goeden dag."

Staroogend stond het vrouwtje aan het bed; ze hoorde niet wat tot haar gesproken werd. Gewillig liet zij zich wegvoeren naar de deur, doch toen, beseffend dat men haar van hrits moest scheiden, draaide zij zich snel om en omhelsde den dierbaren lijder.

„Dag Frits," snikte ze, „dag goede, beste man, tot straks; als je weer terug bent blijf ik bij je, altijd, tot

Sluiten