Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zwijgend staarde deze met een traan in het oog naar het lijk, zoo vreemd rustig, zoo niets veranderd, dat daardoor het afsterven nog onbegrijpelijker werd. De kloeke kop rustte zacht achterover, de gesloten oogen deden den doode heerlijk slapende schijnen; de trotsche mond een weinig geopend liet even het witte gebit zien. Een oogenblik stond de broeder als aan de plaats genageld, maar dan streek hij zich met de hand over het voorhoofd: de werkelijkheid doemde weer op, al te treurig werkelijk.

Eene zware taak wachtte hem nog; hij moest zijn schoonzuster gaan waarschuwen, dat zij binnen kon komen. Onwillekeurig zacht loopend, schreed hij naar de deur en sloot die nauw hoorbaar.

Toen hij de huiskamer binnentrad waar allen leefden, maar in somber stilzwijgen samen zaten, ging hij recht op de weduwe toe en zeide zacht:

„Marie, hij is zoo rustig heengegaan, zonder eenige pijn; hij ligt of hij slaapt. Ga mee om hem eens te zien..."; een half ingehouden snik maakte een eind aan zijn woorden.

Zwijgend stond de jonge vrouw op en ging met witte bloemen in de hand naar de kamer van den doode. Ook de overigen volgden.

Angstig kalm trad de jonge weduwe het salon binnen. Een oogenblik keek zij den doode in het rustige gelaat, en zei toen zacht :

„Was ik maar als hij."

In de kamer was het doodelijk stil. Met teedere hand legde ze de bloemen, de symbolen van een jeugdig afgesneden leven, smaakvol rangschikkend bij hem, die

Sluiten