Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schiks vullen, waarna hem met een rumoerig: „Daar gaat ze, hiep! hiep! hiep! hoera!" het welzijn zijner hartsvriendin werd toegedronken.

Een luid protest der in hun slaap gestoorde kamergenooten volgde en had ten gevolge, dat men, hunne ontevredenheid billijkend, de stervende lamp schielijk uitdraaide en een ieder zijne legerstede opzocht.

Nauwelijks echter had Bramsen zijn beenen onder de dekens gestoken, of met een „Alle donders, wat is dat nu!" was hij ook weer zijn bed uitgesprongen.

Op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend en drong een lichtstraal naar binnen, terwijl een harde, bevelende stem klonk:

„O niets, sergeant, niets. Ik ben 't maar, de adjudant, die eens gaarne wilde weten, wat de heeren drijft om nog licht te branden na bezetten tijd en zoo'n helsch spektakel te maken?"

„Ja, adjudant, er moesten nog enkele bedden worden opgemaakt na tehuiskomst," jokte Bramsen.

„Zoo, zoo, en dat geschreeuw dan? Men scheen nog al opgewonden bij dat werk?" informeerde de adjudant, terwijl hij zijn lantaarn omhoog hief en een onderzoekenden blik door het vertrek wierp.

Gelukkig waren glaasjes en flesch opgeborgen; er dreigde dus geen gevaar op dat punt en Bramsen besloot zich onwetend te houden.

„Ik weet van geen geschreeuw, adjudant."

„Wat zeg je nu," toornde de handhaver der orde, „zelfs toen ik binnenkwam, bulderde je nog, sergeant."

„Ja, adjudant, er is iets in mijn bed; daar schrikte ik van," gaf de delinquent te kennen.

Sluiten