Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als naar gewoonte hem met een paar holle oogen stond aan te staren. Telkens echter als hij zich vergewissen wilde, of het voorgedragene begrepen was, bleek uit het gegeven antwoord ten duidelijkste het tegenovergestelde en begon het uitleggen weer van voren af aan, tot de kapitein er eensklaps een einde aan maakte met de woorden:

„Och, sergeant laat mij maar eens met de menschen praten."

Daarbij ving Bramsen een blik op, waarin duidelijk scheen opgesloten: „Luister nu maar eens goed toe, hoe je 't den man aan het verstand moet brengen."

Alles werd nu door den officier op de begrijpelijkste en eenvoudigste wijze voorgedragen en uitgelegd en telkens, als het hem gevraagd werd, verklaarde Van Peuteren dan ook, het goed te begrijpen.

„Komaan, Van Peuteren, dan moet je me nu ook eens zeggen," sprak eindelijk de kapitein, „als je nu het Noorden recht vóór je hebt, wat zich dan wel aan je rechterhand bevindt?"

V an Peuteren bleef een wijle het antwoord schuldig; dikke druppels parelden op zijn voorhoofd en telkens dwaalde zijn blik naar de genoemde hand, alsof hij daar iets zoeken wilde. Maar eindelijk ja, daar schitterde iets in zijn oog, daar plooiden zijn lippen zich tot een tevreden glimlach, en als een blijde verlossingskreet klonk het:

„Mijn geweer, kapitein."

Dat was ook den kapitein te machtig, die zich overbluft en wrevelig afkeert, terwijl hij in zichzelven mompek: „Weergasche kerel, je hersens zijn gepantserd."

Sluiten