Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet in orde; zouden ze samen visites maken, dan was ik o zoo bang — en dikwijls terecht! — dat bijvoorbeeld de handschoenen niet gaaf waren. Nu weet ik niet of, naar aanleiding van iets dergelijks, ze zichzelve bij Johan beschuldigd had, dan wel of het zinnetje, dat ze uit een zijner brieven geknipt bleek te hebben, op iets anders in hun correspondentie doelde, — wat hiervan zij, op zekeren dag vond ik een beschreven strookje papier, uitknipsel van een brief, waar op: „Gij zijt mijn ideaal; ik heb in u a 11 e s lief; ik zie in u mijn geluk, mijn heil; — laat anderen anders denken, als zij het mij maar niet zeggen is het mij onverschillig."

Wat had die man lief! Zoo duidelijk als had het mij gisteren getroffen staat mij voor den geest hoe zacht, hoe teer hij met haar omging; bijna sprak er vereering uit de houding van den man in den zomer van het leven tegenover het van lente bloeiende kind. Hoeveel ik van mijne Annie hield, soms maakte ik me bezorgd of ze eene zoo groote liefde wel begreep; of ze wist wat het beteekent, welke dure verplichtingen het oplegt, in een nobel mannenhart de voornaamste plaats in te nemen. Hoe rijk maakt het leven sommigen onzer! O, menigmaal als ik hoor van „een nieuw engagement!", als ik gehuwde vrouwen gadesla, dan is er in mijn hart.... neen, geen jalouzie of nijd, — ik zal er het leven altijd te meer om liefhebben dat het zooveel rein geluk schenken kan, maar benijden doe ik die vrouwen soms; ik voel dat, ware mij....

Doch ik spreek over Annie.

Welnu, zooals ik reeds zeide: na nog geen jaar getrouwd te zijn is ze teruggekeerd in het ouderlijke huis.

Sluiten