Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een kindje, sluimerwarm, Ligt blozend in heur arm.

En 't moedertje? Uit haar ooge

Leest stil de jonge man, Tot in de ziel bewogen, Hoe liefde loutren kan.

Het koeltje, tuk op roof,

Blies éven nu door 't loof, En om haar donkre lokken

Sneeuwt, als in vlindervlucht, Een wolk van lentevlokken Welriekend door de lucht.

„Een vóórbó?" vraagt ze zacht En 't perzikmondje lacht In 't wazigste aller lachjes,

Zooals de ziel ze vindt Wier fijnste toon, héél zach'jes, Uitvloeit in rozetint.

Och, 't leven is toch schoon, Zijn zóó, in tint en toon, De geest en 't oord verweven!

Dan smaakt de mensch, gewijd Tot fijner zieleleven,

Een zachte zaligheid

Sluiten