Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En werkelijk, een oogenblik later zat Giessen, met den ransel op den rug in den zadel.

„Prachtig, Prenez," lachte Bramsen, „je lijkt wel. .

Verder kon hij het niet brengen.

Daar schettert in de verte een cavalerie-signaal, het strijdros heft het hoofd en spitst de ooren en vóór iemand een hand kon uitsteken, volgt het met machtige galopsprongen de welbekende roepstem, Giessen medevoerend, die, verrast door die onverwachte beweging en onbekwaam om zijnen wil op het dier over te brengen, de beenen steeds vaster aflegt en te vergeefs zich uitput, om door een angstig „ho! ho! knol, v'c'prenez, ho! ho! nom de nom de mille tonnerres!" den klepper tot stilstaan te brengen.

Sneller en sneller gaat de galop, langs de standplaats der compagnie, waar officieren en minderen den onvrijwilligen cavalerist verbluft nastaren en eindelijk komt de de onfortuinlijke ruiter, die zich met armen en beenen aan zijn ros heeft vastgeklampt, in woeste renloop aan bij het escadron, dat zich verzamelt, en waar hij met een spottenden lach ontvangen wordt.

Welke ontvangst hem van de zijde der officieren te beurt viel, willen we maar verzwijgen en ook de gevolgen van dien rit, maar zeker is het, dat vele dagen achtereen de oude Prenez allen lust tot uitgaan scheen verloren te hebben en voor eene opmerkelijke neiging tot afzondering zelfs de blonde Trinette scheen te vergeten.

De indruk, dien het ongeval den sergeant Giessen overkomen, bij de door hem aangevoerde afdeeling maakte, was zeer uiteenloopend.

Sluiten