Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lende oorden samengekomen kameraden zaten aan den welvoorzienen disch te schertsen, alsof ze elkaar jaar en dag gekend hadden. Na het middagmaal ging men bij groepjes uit, om zich te gaan vermeien in de woelige drukte op straat of te genieten van de talrijke gelegenheden tot uitspanning, die de hoofdstad biedt. Van den huisbewaarder, een oud-onderofficier, ontving men bij het vertrek de toezegging, dat hij er voor heden niet op zien zou, als men een half uurtje na het vastgestelde tijdstip van sluiten uitbleef.

Den volgenden morgen was alles weer vroeg in de weer, en weldra dobberde het gezelschap op de zilte baren der Zuiderzee. Nu, die tocht hield voor hem niets onaangenaams in, meende Bramsen. Hij herinnerde zich nog levendig de prettige vaart van enkele jaren geleden, toen hij van Kampen over Amsterdam naar zijn regiment vertrokken was. Ja, 't water scheen vandaag wel wat woeliger en de wind wat krachtiger, maar wat beteekende dat nu? Was dat nu om zoo bleek te worden als gindsche juffertjes? Zoo filosofeerde Bramsen, terwijl hij, geleund tegen de verschansing, met half boosaardige belangstelling, ja, ik had bijna gezegd genoegen, de angst en verschrikking waarnam, die zich teekenden op de bleeke gezichtjes van een paar juffers, aan de overzijde gezeten.

Zie, nu gaan zij in de golven kijken, die in eindelooze opheffing en wegzinking op de boot aanrollen en er langs glijden, geen rustpunt biedend aan het oog, maar altoos dwarrelend en draaiend den blik doen duizelen en een gevoel opwekken, alsof ge straks wordt medegesleept in hun wilden rondedans.

Sluiten