Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dat is nu juist de manier om ziek te worden, voor wie zich toch al niet prettig voelt," mompelt Bramsen, en de ware reden van hare belangstelling in het spel der golven nog niet bevroedend, wil hij de meisjes gaan waarschuwen en zijne diensten aanbieden. Maar als hij zijn' steun loslaat, duizelt het ook hem en haastig neemt hij zijne vorige plaats weer in.

De hofmeester, die juist over het dek gaat, zegt lachend :

„Hé, sergeant, houd je goed hoor, want er staat ons nog heel wat te wachten, 't waait knap uit het Noord-Westen."

„Nu," meent Bramsen, „ik kan er wel tegen."

„Ja," is het antwoord, „maar je bent toch een beetje bleek om den neus en als we straks Enkhuizen voorbij zijn, zal je nog eens wat anders zien. 't Beste is, datje maar tijdig een flink stukje eet, dat houdt tegen; 'n cognacje kan ook geen kwaad. En vooral niet te dicht bij de machine blijven, daar is het te warm."

Weg duikt de hofmeester, maar ginds in de verte rijst de toren van Enkhuizen; men komt meer onder den wal, de golfslag wordt minder.

De bleeke gezichtjes aan de overzijde hebben het turen naar het water gestaakt en dragen op het witte gelaat geen stempel meer van vrees.

Bramsen wandelt met groote stappen op en neder en nog vóór de boot stil ligt heeft hij een paar broodjes met vleesch besteld, die hij door een cognacje laat volgen, zuiver uit voorzorg.

Als de boot weer zee kiest, zoekt Bramsen zijn vorig plaatsje weer op. Zijn beide overbuurtjes zijn verdwenen. Zouden zij afgestapt zijn of in de kajuit een toevlucht gezocht hebben, om aan het steeds hinderlijker schom-

Sluiten