Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de rest zorgen de onschuldige adempjes der bewoners zelve.

Bij den ingang der tent vinden we in den regel eene versiering van saamgevoegde steentjes, soms ook van zand, overeenkomstig smaak en kunstvaardigheid der bewoners aangebracht.

Alle compagnies- en bataljonsstraten loopen dus evenwijdig en voeren van het front naar eenen ± 20 M. breeden weg, die in de geheele lengte van het kamp loopt en onder den naam van kampstraat bekend is. De onderofficieren bewonen de tenten op de door kamp- en compagniesstraten gevormde hoeken. De overzijde der kampstraat wordt gevormd door eene lange lijn tenten, die allen front naar de compagniesstraten maken en bewoond worden door de adjudanten-onderofficier, sergeant-majoors, fouriers en waschvrouwen.

Achter die tenten zien we, eveneens op eene rij, de keukens, voor elke compagnie één, waar het eten in de open lucht bereid wordt. Kok en bijkok vinden voor zon en regen eenige beschutting onder het kleine afdak, dat zich op vier palen verheft. Daar heerscht een bijna onafgebroken bedrijvigheid onder de witgekielde volgelingen van Vatel. Iets verder van de kampstraat zijn de pompen gelegen, die voortdurend door een schildwacht bewaakt worden en daarachter strekt zich het villakwartier der linnen stad uit in de gedaante der kleinere officierstenten, bijna allen aan den ingang prijkend met een paar dennentakken, die in den grond gestoken zijn en den wijdschen naam van tuin voeren.

In het midden achter hunne bataljons zijn de groote hooldofficierstenten opgeslagen, links en rechts daarnaast

Sluiten