Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men in den regel door in of bij de cantines, want in de tenten mocht geen licht gebrand worden en tot het bewonderen van den sterrenhemel voelt men zich niet steeds aangetrokken.

Op zekeren avond weer zich opmakend om naar de cantine te gaan, werd Bramsen's aandacht getrokken door eene ongewone levendigheid in de compagniesstraat. De manschappen schaarden zich aan weerszijden van de tentopeningen in het gelid, als gold het eene inspectie, terwijl van alle zijden de kreet weerklonk: „In orde voor den sultan van Atjeh."

Tegelijkertijd kwam een zonderlinge stoet juist om den hoek der straat.

Voorop gingen twee soldaten, gekleed in witte broek het mouwvest met de witte voering naar buiten en boven het zwartgemaakte aangezicht de handdoek tot eenen hoofddoek saamgebonden. De een bespeelde eene harmonica, de ander droeg bij wijze van pajong een langen stok, waarboven eenige roode zakdoeken op een hoepel uitgespannen waren. Op dit tweetal volgde een paar zonderling uitgedoste personaadjes, gezeten op den rug van manschappen, die de vreemdste sprongen en capriolen maakten. De beide ruiters moesten voorstellen : Z. H. den sultan van Atjeh en diens grootvizier, zooals de pajongdrager luide verkondigde.

Z. H., een strooien pop, met riemen vastgebonden aan den drager, was gekleed in de onvermijdelijke werkbroek en blauwe boezeroen, waarover een deken als bournous was geslagen. Op den witten tulband met rooden bol prijkte een tak heidekruid als vederbos, terwijl een infanteriesabel in den gordel de kris verving

Sluiten