Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

enkele vrouw. Dit volk van krijgslieden is dus tot uitsterven gedoemd. Door zijnen ziener wil Z. H. thans laten onderzoeken, of hij den tegenstand tot dat tijdstip rekken kan."

De man met de puntmuts, van beroep goochelaar, nam nu het woord, na vooraf door het verrichten van eenige kunststukjes van zijne geheimzinnige macht te hebben doen blijken, en eindigde met de verklaring, dat het Rijk van Atjeh ten ondergang gedoemd was.

Ofschoon Z. H. zich daarmede volstrekt niet tevreden was, ging een luid „hoera" uit de omstanders op.

„Dat valt je niet mede, oude sinjeur," schreeuwde er een uit den hoop.

„Ga naar je land, leelijke grijnskop, en laat je op staat drie zetten, bij het afgekeurde leergoed," riep een ander.

„Vooruit, jongens, hossen!" kreet er een, daarbij zijn Rotterdamsche afkomst verradend, en in een oogwenk was de kring verbroken en werd het verkleede vijftal de compagniesstraat rondgehost.

De toevallige komst van den onder-adjudant, die met een paar kernachtige uitdrukkingen opkwam tegen het „lawaai" en de „verspilling van ligstroo", maakte aan het woelige en uitgelaten tooneeltje een einde, en deed vertooners en toeschouwers als kaf voor den wind verstuiven.

De kamptijd scheen met buitengewone snelheid heen te vlieden en was dan ook verstreken, vóór men zich bewust was eene maand onder het linnen dak te hebben doorgebracht.

In het voorjaar wachtte Bramsen weder het examen

Sluiten