Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfde bengels in ademlooze spanning zaten te luisteren naar dominees kinderlijke en boeiende verhalen, ontwaakte bij hen een heel flauw besef van zijne groote meerderheid in... ja, in wat? dat wisten ze zelf niet... Doch dat behoorde zoo, dat was zijn vak. Hij deed in mooie woorden, zooals hun ouders deden in lichte klom pen of zware koek. De meeste kinderen echter gevoelden iets meer bij die „mooie woorden". Ze gevoelden dat elk dier woorden den band nauwer aantrok tusschen hen en het groote kind, dat tot hen sprak. Ze gevoelden dat hun liefde geschonken werd zonder éenig voorbehoud, onbeperkt, onvoorwaardelijk. Ze gevoelden, dat de liefde van dezen man als een zon was, die schijnt over goeden en boozen, over rijken en armen. Om zoo iets recht te kunnen gevoelen moet men kind zijn. Of men moet een kind gebleven zijn ...

De bewoners van Koedorp waren geen kinderen. Niets minder dan dat. Ze waren volwassen, hun huid was dik, hun gelaat droeg het eigenaardig stug en gesloten kenmerk, dat alle gedachte aan jeugd verbant, hun blik had de harde, wantrouwende uitdrukking van slimme lieden, die op hun hoede zijn voor nog slimmer natuurgenooten. Met de scherpzinnigheid van speurend roofgedierte hadden ze onmiddellijk in Ds. Eelaerts een natuurgenoot ontdekt, minder slim dan zij, minder goed gewapend voor den strijd om 't bestaan, een bijna weerloos slachtoffer. Men zou zelf een Koedorpsch neringdoende moeten zijn om te kunnen beschrijven hoe Ds. Eelaerts bestolen werd door iedere dorpsfirma, die met hem in „handels" betrekking wist te geraken. Het scheen wel een wedijver om de „schandelijk hooge" jaarwedde

Sluiten