Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eenige dagen nadat dit drama was afgespeeld, moest ik voor zaken te Koedorp zijn. Groot was aldaar de verontwaardiging tegen den zelfmoordenaar. Zijn nagedachtenis werd niet gespaard. Met de grootste moeite hield ik mij in, toen de waard uit de herberg mij op zijn wijze een relaas gaf van het gebeurde, en ik had de hupsche, vroolijke waardin, wel om den hals willen vallen, toen zij haar man in de rede viel met een krachtig:

„Niet waar, niet waarl Om zijn schulden heeft hij zich niet te kort gedaan. U moet mijn man niet gelooven, Meneer!" En toen ik zag, dat ze een traan uit haar oog wischte, drukte ik haar zwijgend de hand en ging naar buiten om den vrijen loop aan mijn gedachten te laten. Haast onwillekeurig leidden mijn schreden naar het kerkhof. Daar ontwaarde ik in het halfdonker nabij een versche groeve de tengere en gebogen gedaanten van een paar sjofele oudjes en naderkomende kon ik duidelijk hun snikken vernemen. Ik wilde hen toespreken, doch op mijn gezicht verwijderden ze zich met een vreesachtig gebaar en strompelden gearmd naar de poort. Ik dacht: hoe goed zou het den overledene zijn te weten, dat althans twee arme oudjes zijner onder tranen gedenken? En ik vroeg mijzelf in stille verwondering af: zouden het alleen de onpractische mensohen zijn, menschen voor wie op deze wereld geen plaats is, aan wier graf zulke bezoeken ten deel vallen?

Sluiten