Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die schoonzoon was de laatste om zieh te beklagen over de penningvastheid van den ouden Pieterbaas.

Kortom, Pieterbaas betaalde al zijn schuldeischers in n a t u r a 1 i a. Dat was langzamerhand een gewoonterecht geworden, waarin alle dorpelingen zich voegden, en waarin „vreemdelingen" zich maar moesten schikken. Trouwens met de laatstgenoemde deed Pieterbaas weinig zaken. Dokters- en apothekersrekeningen kende Pieterbaas niet. Hij en zijn huishoudster lieten zich hun ongesteldheden genezen door de beste aller ziekenzusters, Moeder Natuur genaamd, die, als ze zich wat moeite wil geven, den kundigsten arts beschaamd maakt. Doch eens viel Pieterbaas van een ladder en brak zijn been. Nu wist hij uit zijn veefokkerservaring, dat Moeder Natuur ook doet aan het genezen van gebroken ledematen, maar.... de manier waarop zij dat doet, kon Pieterbaas niet bevallen; 't was een echte kwakzalversmanier, goed genoeg voor een koe, doch niet voor den heer der schepping. Er werd dus een dokter gehaald. Deze dokter, pas in het dorp gevestigd, en nog gloeiend van verontwaardiging over de „onnatuurlijke" gezondheid van het landvolk, beschouwde het gebroken been van Pieterbaas als — men vergeve mij de leelijke vergelijking — als een „kluifje". Te zeggen, dat Pieterbaas' been langzaam maar zeker genas zou minder juist zijn; zeker maar langzaam, dat is het woord. Zoolang zaam, dat Pieterbaas' been in letterlijken en oneigenlijken zin „slepend" ware geworden, als de huishoudster niet op een goeden dag de deur gesloten had vlak voor den neus van den dokter. Met een bedankje natuurlijk, bedankjes kosten geen geld.

Sluiten