Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noozele centen van Pieterbaas tot florijnen, dragende des Konings beeltenis.

Des avonds, toen de feest „kemisje" vergaderd was, sprak de dokter deze gedenkwaardige woorden:

„Heeren, Pieterbaas is uit de slof geschoten. Hij heeft maar eventjes vijfentwintig gulden geteekend. Ik vind, dat we hem nu ook alle eer moeten aandoen. Een eerepoort voor zijn huis, en de schoolkinderen moeten daar halt houden om feestliederen te zingen."

En zoo geschiedde het.

Het verging Pieterbaas met den eereboog als den dokter met de gans. Op den morgen van het feest waren hij en zijn huishoudster ten prooi aan dankbare verbazing en grage kijklust. De oude boer werd aangedaan door een lichten graad van opgewondenheid. Hij volgde met een niet geheel nuchter oog elke vordering van het feestelijke werk. Ja, hij leende een paar twee-duims latten uit zijn schuur!

Maar des middags, toen dreigde het hoofd van den ouden boer geheel op hol te geraken. Een onafzienbare schare van feestelijk uitgedoste kinderen, wit, rood, blauw, geel, goud, met wapperende vlaggetjes, alles schitterend in het zonlicht, een tooverwereld zoo^schoon dat Pieterbaas meende te droomen, dat alles hield stil voor de boerderij, en de eereboog verhief zich daarboven als een groene en roode tempel, en alles werd in eens doodstil (het werd Pieterbaas benauwd om het hart), en daar — plotseling verhief de meester, statig in het zwart met een hoogen hoed op en een breede oranjesjerp over zijn borst, daar verhief de statige meester een langen stok met oranje, wit en blauw omwonden,

Sluiten