Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

strak gelaat. Het waren de andersdenkende, van wie geene genade te wachten is; — die teemend en vervloekend, nog verholen tot elkander fluisteren over eigengerechtigheid .. . het loon der zonde ... de verzenen tegen de prikkels . .. Beëlzebul en de verdoemenis . . .

Want, dat gepruikte en gebefte scheurmakers in den geloove, braaf Nederland! bitter strijdige vraagstukken hadden uitgedacht om elkander te mogen verketteren, dat hadt g ij nimmer kunnen goedkeuren in uw vast geloof aan Licht Leven en Liefde.

Als nu slungelige jongens en dwaze meiden giegelden en giegaagden, werden zij door gehelmde mannen achteruit gedreven. Ruimte, voor dat huis met dien uitspringende hoek, daar, aan het water. Daar was de stoet!

Een jonkman kwam in de opene deur. Ook hij moest in den stoet. Doch tot driemaal keerde hij. Toen, na zijn tranen te hebben afgedroogd, ging hij mede in het gevolg van zijn vader. Dat waart gij, o vriend! met uwe goedheid, uwe minzaamheid, uw verrukkelijken humor, van lach en leed dooreengemengeld. Het gouden hart dat voor ons klopte, het arme hoofd dat voor ons dacht en schoone schemerglansen voor ons deed spelen op den weg die het leven heet, — het was thans stille. Geen blijde begeestering zou meer van u uitgaan. Gij waart van ons afgescheurd. Het somber-zwarte voertuig stond gereed, de paarden zetten

aan Weer geschuifel veler voetstappen, doch nu in

den pas.... Zacht aan ging het voort....

O, gij edele! nadat gij het daarzijn, het gevoelen, het lijden en de vernietiging had doorgemaakt, was de tijd gekomen voor de Immortellen en de Lelies

Sluiten