Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die vastzet op de armen der woudreuzen als een gedrochtelijken knobbel, als een bloeiend uitwas. Maar naar binnen, ter halver diepte van de galerij, hingen een drietal petrbleumlampen, welke de frissche bergwind zachtkens heen en weer wiegde j een rotan-ameublement vulde de ruimte, terwiji een paar fijne kerees de buitenzijde der gaanderij afsloot en palembangsche wipstoelen op eene bekende indische hebbelijkheid duidden.

Wij vonden er eene oude baboe met een paar aardige semi-europeesche kinderen. Ze waren nog niet lang hier, naar 't oudje ons vertelde; de spruiten van een officier op Atjeh, terwijl de moeder ... ja, waar was de moeder ? Dat zou baboe niet kunnen zeggen; misschien ergens in den kampong, of gehuwd met een harer eigen landgenooten, of in een dienst op het groote Soerabaja, of gestorven — wie weet!

Beide kinderen waren nog wat zwakjes van de stadslucht, naar 't scheen, wat bleekneuzig; maar reeds deed hunne levendigheid vermoeden, dat ze in dit sterkend bergklimaat wel spoedig zouden opmonteren.

De heer de Harde ontving ons gelijk men oude kennissen ontvangt, 't |Was hem lief, zoo verzekerde hij ons op den toon der oprechtheid, weer eens van gedachten te kunnen wisselen met landgenooten, het Soerabajasch nieuws te hooren en ... twee partners voor zijn whisttafeltje te vinden. JDien avond toch zou zijn naaste buurman komen (een buurman van anderhalf uur ver!) en dan zou men zoo goed zijn partijtje kunnen maken, hier in 't hartje van 't binnenland, als in de Simpangsche societeit te Soerabaja.

Sluiten