Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij verlieten het hok, waar de tijger weder terugkeerde tot zijn afgebroken maaltijd: den kop van een den vorigen dag geschoten wild varken en traden, een eind verder, de sorteerloods binnen.

't Waren meest vrouwen en meisjes die hier onder keuvelen en neuriën bijeenzaten, met voor zich de legmatjes waarop het uitgespreid product in drie of vier kwaliteiten werd uitgezocht. Onderwijl dat zij met de dunne en lenige vingers de koffieboonen sorteerden, babbelden zij als echte Kaffee-Schwestern honderd uit; de mondjes gingen hier zoo druk als de koekepan van vastenavond,

„Niet waar, er zijn er onder, die er niet kwaad uitzien!" merkte de Harde op. „Lage voorhoofden, vooruitspringende jukbeenderen, terugwijkende kin, dopneusjes, een bruingele kleur, en tóch heeft de natuur er nog iets toonbaars van gemaakt, 't Zijn evenwel niet allen vrouwen uit deze streek; er zijn ook vele Madureesche bij. Misschien hebt ge aan den Soerabajaschen Oedjong wel eens die met menschen opgevulde prauwen gezien, gelijk ze telken jare van hun eiland komen om, evenals de Westfaalsche grasmaaiers in ons land, aan den overwal een spaarpenning, of juister een teerpenning te verdienen en dan weer naar honk te tijgen, Het type van hun gezicht wijst echter spoedig uit wie de autochthonen van dezen grond zijn en wie de geïmporteerde vreemdelingen."

Nu stond nog eene wandeling door de deels nog in bloei staande, deels nog vruchtdragende koffietuinen op het ochtendprogramma.

De weg was smal, maar goed beschaduwd en beurde zich met korte golvingen, met sprongen als 't ware tegen

Sluiten