Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij lacht zoo vriendlijk en zoo valsch, Hij drukt haar hand, hij streelt iiaar hals, En vangt op hare lippen,

Haar ziel die zoekt te ontglippen.

Zij varen voort, zij varen ver,

Langs klippen, over kolken ;

En zilvren maan en gouden ster

Omsluieren zwarte wolken.

« Waar 't hemelhoog, waar 't hellediep, Zoo wijd als God de wereld schiep, Waarheen gij 't roer zult wenden, Ik volg tot 's werelds enden.

Ik volg u, waar gij vaart en gaat,

In 't meer, en op de bergen;

Maar voor den bruigom dien ik haat

Zult gij mij steeds verbergen! »

En hij weer : « Wees gerust, mijn kind, Ik breng u waar geen mensch u vindt En niemand ooit zal varen.

Vreest gij niet voor de baren? »

Sluiten