Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 117 —

En aamden in den zoeten woudenreuk, En hoorden hoe, in lang en lijzig leken,

De mistdrop zijpelde uit den hoogen beuk. Wij gingen, en mij docht wij gingen achter

Een lijk, zoo langzaam gingen wij en stom; In t mos stierf onze voetLred immer zachter,

Als op het vloerkleed van een heiligdom.

Plots stonden we als door vrees teruggehouên : Hoog vóór ons rees een houten Christusbeeld; En ringsom baden mannen, baden vrouwen,

Gebogen, en door toortsenlicht omspeeld. Zij hoorden noch zij zagen ons, maar zaten

Als dóon, op bank en stoel, in mos en gras; Zij zwegen, weenden, baden en vergaten

Dat buiten hen nog iets ter we/cld was. Staagstuipend stapten bleeke jongelingen

In engen kring om 't kruis; geen enkel dorst Omhoog zien, allen boetten stom, en gingen

Met hangend hoofd, al kloppend op hun borst. Nog droever scheen d j Christus me in hun midden, Nog smartender verrees het stil geween ;

Sluiten