Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van die op bl. 33 en 84 luidt 't zelfs: „Wie, behalve Vondel, schreef verzen als deze?"16).

Maar in de uitbreidingen achter de zinnebeelden laat Luyken Böhme zelT aan het -woord!, (blijkens die cursief gedrukte aanteekeraing e n voor welke een vet cij'fer is geplaatst). Slechts af en toe vinden we een stuk uit den Bijbel of een ander Mysticus (Thomas a Kempis 'bl. 56). Voor het ..Eeuwige Vaderland" 'bracht ik aangaande elke alinea 't bewijs bij, dat dit stuk in zijn geheel een bloemlezing is, vooral uit de Aurora, Böjhme's eerstelingswerk, 't welk door Luyken is vertaald in 1686 16a). De Aurora ■bevat den eersten ijzerslag van Böhime's extase over de hem ten deel geval'lert openbaringen. Het is een zijner duisterste boeken en daarom vinden wij die duisternis terug in Luyken's proza van bl. 169 af. — Gelukkig staan goede inleidingen tot Böhme's werken thans ten dienste17).

Wat de proza stukken bij de andere zinnebeelden betreft, zullen bij voorbeeld bl. 28, 60, 102 ook zonder meer genoten kunnen worden. En zoo drijft daar over de binnenste omheining waarachter vakfilosofen zich tot dieper studie zetten, toch ook nog wel naar wijder kring iets over van den fijnen kruidengeur uit dezen bloemenhof. Zelfs wel van „het eeuwige Vaderland," indien wij bijvoorbeeld de beschrijving lezen der Hemelsche Musica, waar blijkt hoe

1B). Litt. & Tooneel enz., bl. 100 v.v. 16a) Zie Tijdschr. N. T. en L. XXXV, afl. 3.

17). Zie aant. 11. — Dr. Aalders geeft een overzicht van 't stelsel; Dr. de Hartog systematische bloemlezing, met opheldering van vele der eigenaardige termen. — Meer literatuur wordt daar genoemd o. a. Dr. J. Hamberger, die Lehre des deutschen Philosophen Jakob Böhme, München 1844. Gelijk reeds dr. Hylkema opmerkte, zal men L. pas recht verstaan, door zich in Böhme te verdiepen. Diens denkwijze leent zich echter bezwaarlijk voor verkorte weergave. Wij besloten derhalve, ons in de aanteekeningen bij de verschillende zinnebeelden te beperken tot aanwijzing van de plaatsen waaraan L. zijne vertalingen ontleende (voor zoover wij ze vonden); —- tot verwijzing naar bovengenoemde literatuur en tot enkele beknopte opmerkingen.

Sluiten