Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid, maar gij zijt van deze wereld en verbreekt, doch ik leef in mijne Wel f eeuwig. Daarom ben ik veel edeler als gij. Gij leeft in eene grimmige Wel, maar ik wil mijn grimmige Wel in 't licht, in de eeuwige vreugde zetten. Mijn werken staan in kracht, en de uwe blijven in de figuur *•). Zoo ik eens van u ontslagen word, zoo neem ik u niet weder tot mijn Dier aan, maar mijn nieuwe lijf 2), hetwelk ik in u baar, in uwen diepsten wortel des heiligen Elements3). Ik wil uwe ruwe uitgeboorte der vier Elementen4) niet meer hebben. De dood verslindt u, maar ik groen met mijn nieuwe lijf uit u als een bloem uit zijnen wortel. Ik wil u vergeten, want Gods heerlijkheid die u met de aarde vervloekte, heeft mijnen wortel in zijnen Zone weder ingelijfd, en mijn lijf wast in 't heilige Element voor God. Daarom zijt gij maar mijn wild Dier, dat mij alhier krenkt en plaagt, op 't welk de Duivel rijdt als op zijn vervloekt paard. En of u de Wereld bespot, dat acht ik niet, zij doet het om mijnentwille; zij kan mij toch niet zien, en kent mij ook niet. Waarom is zij dan alzoo dol? Zij kan mij niet vermoorden, want ik ben niet in haar. 5)

t) Levens Welbron (J. L.J.

1) schijn.

2) gestalte der ziel.

3) God.

4) aarde, water, lucht, vuur. Adam kreeg eerst door zijn val een stoffelijk lichaam volgens Böhme.

s) Bl. 16, alinea 1 en 2 enz. BOEHME, ed. Sch. Bd. 3 bl. 287 v., n". 63, 64. — Alinea 3 en 4 BOEHME, ed. Sch., Bd. 3, bl. 289, n". 69. In 't gedicht (r. 18—20) belijdt Luyken Böhme's leer, dat de ziel vrije wil heelt. Gebruikt zij die niet, om zich met den Schepper te vereenigen, dan is de eenheid verscheurd en wijl de ziel eeuwig is, voor eeuwig: zie de Inleiding, bl. XIV, aant. 21.

Sluiten