Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Ziel betracht den Schepper uit de Schepselen.

Ik zag de schoonheid, en de zoetheid aller dingen,

en sprak: Wat zijt gij schoon! Toen hoorde mijn gemoed: Dat zijn wij ook; maar hij, van wien wij t al ontvingen,

is duizendmaal zoo schoon, en duizendmaal zoo zoet. En dat zijt gij, mijn Lief! Zou ik u niet begeeren?

Is hier een Lelieblad op aard zoo blank en fijn, wat moet, o eeuwig Goed, o aller dingen Heere,

wat moet de witheid van uw zuiverheid dan zijn! Is 't Purper ook zoo schoon der Rozen die hier bloeien,

bedauwd met Paarlen, als de Morgenzon haar groet? Hoe moet het Purper van uw Majesteit dan gloeien!

Ruikt hier een Violet zoo lieflijk en zoo zoet,

als 't Westewindje door de Hoven zacht gaat weiden,

zoo ik het menigmaal bij koelen morgen vond,

wat moet zich dan een reuk door t Paradijs verspreiden,

zoo liefelijk vloeiende uit uw vriendelijken mond! Is hier de Zon, gelijk een Bruidegom gerezen,

zoo schoon en blinkende op het hoogste van den dag? Wat moet uw aangezicht dan klaar en helder wezen! o God, mijn schoonste Lief! dat ik u eenmaal zag!

Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien. Matth. V : 8.

Goddelijk antwoord.

Sluiten