Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De ziele met Gods genade aangeblikt.

Ach vriendlijk aangezicht des Heeren!

Hebt gij de gansche kreatuur gelijk vergeten dezer uur om u alleen tot mij te keeren?

Ach vriendelijke levensblik!

Het is mij nu, o mijn beminde,

als was er nergens iets te vinden,

als was er niets als gij en ik!

Ik ben mijns liefs en hij is mijne.

o Bloempjes uit het Paradijs,

o Schoone reuk! o schoone spijs!

nooit moet mij uwe kracht verdwijnen.

Is dit die smalle en steile baan?

o Wereld, zaagt gij uit mijn oogen,

gij kwaamt "van uwen weg gevlogen:

gij liet den slijk voor 't goud wel staan!

Nu kan ik aardsohe vreugde derven,

nu gij, o bron van alle goed,

zoo lieflijk welt in mijn gemoed.

'k Wil honderd doo-den om u sterven.

Wat ik hier spreek, zal die verstaan die hier eens heeft te gast gegaan.

Goddelijk antwoord.

Die miine éeboden heeft en dezelve bewaart, die is het d

.. 1. ti r# _f* U„iUr,r>St -rnl rlnnr mnrïP.n VaaCf 9

mij uerneeri, en uie nuj ^ V •• i X,

liefd worden, en ik zal hem liefhebben en ik zal mi,zeiven at hem openbaren. Johann. XIV : 21.

Sluiten