Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar of haar schoon door menigten die veel liever stierven eer zij een onwaar woord wouden spreken, de berg huns Herten aangewezen wordt, met beloften dat daar een onwaardeerlijke Schat van Goud en Paarlen in te vinden is, voor al degenen die daar met ernst naar graven, dat gelooven zij niet. En al is 't dat zij de blijken der waarheid hiervan aan anderen zien — in hun hooge vernoegzaamheid en verachtinge aller aardsche dingen, zoo gelooven zij 't evenwel niet, zeggende: het zijn maar inbeeldingen en droomerijen.

Vanwaar komt dit dan, dat de mensch aan het eene zooveel meer geloof geeft als aan het ander, daar hem toch van beiden evenveel blijks der waarheid getoond wordt! Och, dat komt van zijn groote grovigheid, dewijl hij, zich aan het uiterlijke leven gansch overgevende, een dier geworden is, dat niet tracht als zijn lijf. te erneeren2). Aan het inwendige leven is hij gansch blind.

O Mensch! woudt gij zooveel om het eeuwige doen als gij om het tijdelijke doet! Woudt gij ver van huis trekken om een edelen, hoogwaardigen schat, ver van het huis uws uiterlijken, dierlijken levens, ver van uw eigen booze, verkeerde, van God afgebroken Wil en graven diep, nacht en dag, in den grond uws harten, gij zoudt wat vinden, daar gij alle Koninkrijken dezer wereld niet voor naamt.

J) zelfgenoegzaamheid. 2) voeden.

Sluiten