Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op het XXI. Zinnebeeld.

Hoe 't zich met een vrome Ziele verhoudt in 't afsterven des lichaams.

Het uiterlijke vernuft spreekt: de Ziele, wanneer die van het lichaam scheidt, vaart zij dan niet in den hemel of in de helle, gelijk men in een huis ingaat, of gelijk men door een gat in een andere wereld ingaat?

Antwoord: Neen, daar is geen invaren op zulk een wijze, want hemel en helle is overal-tegenwoordig; het is maar een inwending des wils öf in Gods liefde, öf in Gods toorn, en zulks geschiedt in den tijd des lichaams, waar van Paulus zegt: Onze wandel is in den hemel. En Christus ook spreekt: Mijne Schapen hooren mijne stem en ik ken hen, en zij volgen mij, en ik geef hun het eeuwige leven, en niemand zal ze uit mijne hand scheuren.

Zoo vraagt het vernuft: Hoe geschiedt dan zulk ingaan

des wils in den hemel?

Antwoord: Wanneer zich de wil te gronde toe Gode overgeeft, zoo verzinkt hij buiten zich zelve, buiten allen grond en plaats; waar alleen God openbaar is, werkt en wil. Dan wordt hij zich zelve een niets naar zijnen eigen wille; alsdan werkt en wil God in hem en dan woont God in zijnen gelaten wille. Daardoor wordt de Ziele geheiligd, dat zij in de goddelijke ruste komt. Wanneer nu hèt lichaam verbreekt, zoo is de Ziele met goddelijke liefde ' doordrongen en met Gods licht doorschenen, gelijk het vuur een ijzer doorgloeit, waarvan het zijne duisterheid verliest. Dat is Christus' hand. Waar Gods liefde de Ziele gansch doorwondt1) en in haar een schijnend licht en nieuw leven is, zoo is zij in den hemel, en een tempel des H Geestes, en is zelve Gods hemel, waarin hij woont.

Het uiterlijke vernuft spreekt: Hoe komt het dan dat

i) Böhme schrijft: „durchwohnet'

Sluiten