Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op het XXX. Zinnebeeld.

Van den schat des gemoeds, en van de grofheid der wereldsche menschen.

Daar is geen grooter dwaasheid voor de wereld als het leven van een Christen, want zij ziet hem alle die dingen, daar zij haar heil en hoogste vermaak in zet, als drek wegwerpen en versmaden. En dewijl zij grof, plomp en diersch 1) is, zoo wordt zij niet gewaar waarom dat deze verlating 2) geschiedt. Zij noemt hem dwaas en uitzinnig, ziende dat hij al zijne goederen verkoopt, maar van den hoogwaardigen schat, dierbaarder dan alle Koninkrijken der aarde, die hij in den Akker gevonden heeft, weet zij niets. Zij meent dat hij zich met rook en wind verzadigt, want zij kent geen goed noch rijkdom, als wat zij met haar dierlijke handen tast. Wat men haar van het tasten of voelen des gemoeds zegt, dat kan zij niet verstaan, meenende dat het inbeeldingen en bedriegelijke droomerijen zijn. Nochtans behoorde zij zoo plomp niet te zijn, dat ze niet zou kunnen verstaan dat het edelste en subtielste minder kan bedrogen worden als het grove en plompe. Nu is immers het gemoed des menschen de fontein en welbron des levens, meerder als de uiterlijke leden des groven lichaams, dat zijn beweginge van diens uitvloeiende krachten ontvangt en meerder als de uiterlijke zinnen, die van hem als uit hunnen wortel ontstaan. Meent gij nu dat deze edele grond niet kan onderscheiden, of zij wezenlijke waarheid of dat zij een wegvliegende damp heeft, daar 3) gij in uw grofheid wel weet te onderscheiden, of gij een paarl of een stroohalm in uw uiterlijke hand hebt? o Verblinde mensch, hoe zijt gij zoo gansch in het cierlijke leven overgegeven! Och. hoe dwaas en uitzinnig zijt gij voor ons, dat gij het tijdelijke en vergan-

') dierlijk.

2) in de steek lating. ^

3) terwijl. ••

Sluiten