Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op het XXXI. Zinnebeeld.

De woorden der opperste Wijsheid; en van de ijdelheid aller uitwendige dingen.

Spreuken 1 : 20-33. — De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten, zij verheft hare stemme op de straten. Zij roept in het voorste der woelige plaatsen, aan de deuren der poorten spreekt zij hare redenen in de stad;

Gij onverstandigen, hoe lang zult gij het onverstand beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeeren en

de zotten wetenschap haten?

Keert u tot mijne bestraffing, zie, ik zal mijnen geest ulieden overvloediglijk uitstorten, ik zal mijne woorden u

bekend maken.

Dewijl ik geroepen heb en gijlieden geweigerd hebt, mijne hand uitgestrekt heb en daar niemand was die opmerkte, en hebt al mijnen raad verworpen en mijne bestraffing

niet gewild:

Zoo zal ik ook in u lieder verderf lachen, ik zal spotten

wanneer Uwe vreeze komt,

Wanneer uwe vreeze komt gelijk eene verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind, wanneer u benauwdheid en angst overkomt.

Dan zullen zij tot mij roepen maar ik zal met antwoorden, zij zullen mij vroeg zoeken maar zullen mij met vinden: daarom dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreeze des HEEREN niet hebben verkoren

Zij hebben in mijnen raad niet bewilligd, alle mijne bestraffingen hebben zij versmaad:

Zoo zullen zij eten van de vrucht huns wegs en zich verzadigen met hunne raadslagen.

Want de afkeering des onverstandigen zal ze dooden en de voorspoed der zotten zal ze verderven;

maar die naar mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreeze des kwaads.

Sluiten