Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op het XXXII. Zinnebeeld.

Van de inwendige geestelijke schoonheid.

Als men van inwendige sieraden en schoonheden spreekt, zoo moet gij niet meenen dat het zelve maar gelijkenissen zijn. o Neen, het is alles wezenlijk. Zaagt gij de schoonheid der nieuwe geboorte, gij mocht u niet hoog genoeg kunnen verwonderen. Een diamant robijn, of andere edele steen, liggende in de klare zonneschijn, is zeer doorluchtig, glinsterende en schoon. De nieuwe krea uur, die in den ouden groven mensch verborgen opwast doe,r hrf voedsel van het water des eeuwigen levens (het™el* gansche Godheid vervult) en door den H. Geest, is doorluchtig als kristal; zij vergelijkt zich met het eeuwig licht der goddelijke Majesteit, van hetwelk zij gansch d schenen wordt. Wat dit nu voor een schoonheid is, kan niet met woorden uitgesproken worden, maar God kan dien hij wil, door 't opdoen*) der geestelijke oogen, wel

^Wanneer de mensch met alle oefeningen den ui^riijken mensch meetrekt in den inwendigen, vernuftigen mensch, en deze twee menschen (namelijk de zmnehjkekrachtenende vernuftige krachten) zich gansch eendrachtig opdragenw) den allerinwendigsten mensch (dat is: in de verboTge ^ des geestes, daar het ware goddelijke beeld in l^t) en zich dan gansch indringen in den goddelijken afgrond, waarin de mensch eeuwig was in zijne ongeschapenheid ), _ en wanneer de barmhertige God den mensch alzoo vindt in zijne louterheid en in de blootheid toegekee ) zoo neigt zich de goddelijke, vaderlijke Afgrond en zl«kt den louteren, (naar hem) toegekeerden grond (mensch). En daar over heen vormt hij den geschapen grond en trekt

!) openen.

2) overdragen, overgeven.

3 ongeschapen reeds van eeuwighejd ai was

«) met de „blootheid" zi ner ziel naar God toegekeerd.

Sluiten