Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op het XXXIV. Zinnebeeld.

Van weerlooze gelatenheid; hoe men in alle toevallen 1) op God alleen moet zien.

Zoo een Beer of Hond met een spies gestoken of met een steen geworpen wordt, bijt hij met een grooten grim op dezelve, als hadde het die spies of de steen gedaan_ Maar zoo zal2) een Christen niet doen, maar alles van God gelijk nemen in geduld, en niet met toorn en grimmigheid zich wreken aan zijn wederpartij, ook niet vloeken wie hem beleedigd of versmaad heeft, maar zegenen die hem vloeken. Want gelijk als niet de spies en de steen iets doen kan zonder dien die ze voert, alzoo mogen3) ook booze menschen, welke van God voor spiesen en steenen gebruikt worden, niets doen zonder God. Niet dat God de boozen dwingt om boosheid te doen, en de vromen te beschadigen, maar hij laat het hun toe tot oefening der vromen.

God dwingt geen eenig mensch, maar dewijl buiten God geen muschken ter aarde valt, en geen haar van ons hoofd, zoo zullen2) wij alle dingen gelijk van God nemen, het goede en het kwade, het zoete en het zure. Van God zullen wij het nemen, en niet van de spies of steen, dat is: van booze menschen, wan-t zij kunnen niets doen zonder de

toelating Gods.

Nu is hier een noodig punt te bemerken in hetwelk veel menschen dolen: booze menschen kunnen mij niets doen zonder God, of zonder Gods wille. Alzoo wanneer mij iemand zeer beschadigde aan mijn lijf, of mij verwurgde, dat had God wel van eeuwigheid af voorzien doch door zulke voorziening was de doodslager niet gedwongen geworden, alsof hij het had moeten doen. Want het was niet noodwendig. Want hij kon het ook wel niet doen. God dwingt niemand tot boosheid; de eigen booze wil

1) lotgevallen.

2) moet.

3) kunnen.

Sluiten