Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En uw oogskens zouden klaren en schitteren, wijl gij u neervleidet aan mijne borst. Vergeten waart gij dan uwe vertelselboeken en mannekensbladen, uw wollig schaapken, uwe bonte poppenlanjes, al uw speelgoed, en fluisterend zoudt gij mij vragen naar de beteekenis dier liederen.

Dan wellicht had ik den juisten vorm gevonden om in uwe kinderziel die schoonheid neer te leggen, voor altijd, voor eeuwig. Ik had dan verteld lang, heel lang, tot gij, kleine schat, moe van spelen en joelen, moe van turen langs de baan naar zeldzame voorbijgangers ; moe van kijken in de lucht achter de zwermen trekvogels of naar de zwaluwen die hun nestjes bouwden tegen ons huis; ten slotte moe van luisteren de oogjes sloot, week weggezakt in mijnen arm. In uw droom hooraet gij dan wonderbare zangen.

Mijn lieveling ! zoo peinsde ik lang geleden. Maar door u kreeg ik uwe maatjes lief. Rond uw wischen wiegsken zie ik in mijne verbeek ing honderden guitige en snoeperige kopjes van blozende en bleeke kinderkens, die ook naar vertelsels verlangen, en die maatjes hebben niet altijd een vader die vertellen kan, of er tijd en lust toe heeft. En ik, uw vader, die reeds wat voor andere kinderen schreef, die groote menschen heeten, ik kan den aandrang niet weerstaan neer te schrijven wat ik eenmaal toch vertellen zou, temeer nu een man, die uitgever heet, en prijs- en prentenboeken verkoopt voor de wijze en leerzuchtige meisjes en knapen, mij er wat goud voor aanbiedt.

Met dat goud koopen wij misschien later het wollig schaapje en de prachtige pop, en gij, o lieveling, leert hierdoor vroegtijdig deelen met uwe maatjes, want, vergeet het nimmer : al wat schoon is en goed behoort aan allen, kinderen en menschen.

De Schrijver.

Sluiten