Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woorden en zinnen in den stillen nacht gewekt schenen hem echter te missen d^ klaarheid eener wakkere krijgstrompet. Weer herviel hij in zijn diep gepeins. Er ontbrak samenhang tusschen de opstandelingen, een naam die zijn zou eene banier voor het herwordend land, een vorst, een leider. Het volk had zijne genegenheid al lang betoond aan zijn vriend Willem \an Oranje. Maar de proclamatie, de bevestiging, ontbrak. Zoo iets viel nu niet te verkondigen in etn oproep !... De graaf Marnix zinde zich moe, wijl in zijn oor den hoefslag weerklonk van zijn draver.

Stilaan lei de bleeke ochtend een wazigen doom over het landschip. Toen zag graaf Marnix eene kudde schaapkens in eene weide grazen. Zij werden gevolgd door den herder, die met zijn staf kluitjes aarde wierp naar de dierkens, wanneer zij buiten de rangen liepen. De hond blafte, en Sint Aldegonde dacht weer onwillekeurig aan Willem de Zwijger. Wat verder op zijnen weg stond een eenzame boom, krachtig uit de aarde opgeschoten. En opnieuw dacht hij aan Oranje, en murmelde zacht :

« In naam van Oranje maakt open de poort !

De Watergeus ligt voor den Briei ! »

Hij keek star voor zich uit, als had hij een visioen. Zijn paard stond stil, en hij werd het niet gewaar. Toen nam hij een stuk papier, lei dat op zijne knie, en met koortsigen haast krabbelde hij het lied van Oranje, strijdzang van Wilhelmus van Nassouwen.

Plots lichten er vlammen langs de stammen der boomen aan den weg, rozig bijtend door den dauw. Eene trommel sloeg, en er weerklonk een ver geroep van schildwachten.

't Geuzenkamp lag vlak in zijne nabijheid. Hij borg zijn zang op zijne borst en roerde de teugels. Het ingedommeld ros schoot

wakker en reed op de vuren aan.

In een oogwenk was de bende te been,en stond men rond SintAldegonde geschaard. De trompetters riepen de laatste achter-

Sluiten