Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Je zag, jij hem in 't donker droomoog keek,

Noch is zijn levensdraad niet afgesponnen;

Noch moet hij zingende dat volk bezielen.

Ook vrees ik .. . .« — »Vader, wat?« — »Nee kindlief, nee

Niet alles mag m'n mond je zeggen, nu al!« —

»Zou hij niet van me houden, vader, en

Hij zoekt mij overal, en gloed bezielt

Z'n leven, zou dat alles ijdel zijn

En zou ik niet van min genieten mogen ?

O, wees niet wreed ?« — «Kom, Hilda, moed! In 't werk

Je troost gezocht: de minne zwijg voor plicht!«

Betraande ogen zochten naar het kleed

Van zwaneveren, Koedroen sprak haar moed

In 't moede zieltje — Wodan schudde stil

Meewarig 't hoofd : »Wat aards denkt hoort aan de aard

En paart aan 't aardse zich, al wordt het godlik;

Wie aan Walhalla's taak zich wijdt, moet heel

Z'n wezen daaraan wijden, gene klacht

Kan helpen wie die taak gekozen heeft!«

Gekleed in huiden, hoornig aan hun hoofd,

Met knots, speer, schild en akst bewapend, stond De manneschare noch bij toortsenlicht.

Voor op 'en heuvel Bragi met z'n speeltuig:

Stil was het; zilverklaar klonk Bragi's stem,

Zijn lied trilde onder 't zwarte nachtgewelf:

Sluiten