Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij merkt er niéts van tot wij vóór haar staan.

O, dat zal grappig zijn 1« en van plezier

Liep 't meisje 'en stapje harder: nimmer zag

Ze Bragi aan: ze wist, dan bloosde ze,

Maar voelde toch z'n blikken in haar nek

En praatte maar aldoor, tot ze eindlik zweeg

En aan haar kleedje plooide .... 't Was bij 't ven,

Het eerste meer, dat Bragi tegenblonk

In zonneschijn, dat hij haar staande hield.

Ze zag verbaasd hem aan en bloosde in eens

Tot in de hals en, toen hij vroeg, of ze ook

Als moeder leed gevoeld had over hem,

En van z'n zielsverlangen sprak, toen lei

Ze 't hoofdje aan z'n schouder, schreide en nauw,

Nauw hoorbaar klonk 't: »Ik ben dezelfde noch,

Behalve dat ik meer noch van je houd!«

De zonglans danste op 't kabbelende ven,

Het riet wuifde en de sparren ruisten, zij,

Ze vonden voor hun liefde geen geluid:

Een lange kus was 't zegel van 't verbond

En als in dromen liepen zij maar voort,

Tot, hand in hand, ze stonden voor de hut

Van Gunlod, die verrast zou worden, maar

Het paartje zelf verraste bij de berk.

»Dag moeder!« Bragi vloog haar om de hals,

Ik ben nog de oude en breng 'en andre mee,

Sluiten