Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 't hoge voorhoofd en de lange baard

Hing kronklend op het bed; z n hand streek zacht

De lijdenslijnen uit haar bleek gezicht

En «Wodan, Wodan!» stamelde haar mond.

De kromgebogen Hagen dacht, zë ijlde,

En greep haar hand. »Kijk, grootvaar, daar staat Wodan !

Hij vraagt mij fluistrend, of ik mee wil gaan

En in Walhalla's rijk Godinne zijn

Aan Bragi's zij.» — En knikkebenend stond

De grijze naast haar; zaligheid gleed langs

Haar scherp gezichtje. «Grootvaar, dag .... ik .... ga.»

Een handdrukje en bij 't lijk zonk de oude neer.

Wie tot het laatst zijn leven had gekleurd

In 't zachte rood van liefde en 't helder blauw

Van blijheid, midden in haar ziekteleed;

Wie lachte, ook als ze pijn had in de borst;

Wier bloed de schaterlach te vaak verving

Op bleke lippen, maar ook omgekeerd

Weer week voor 't minzaam lachje, om de oude moed

Te doen behouden, waar zij zelf versaagde;

Zij lag daar koud: kil werd het in de hut;

Wat zou de toekomst hem nu brengen, wat?

Maar Wodan streek grootmoedig langs z'n slapen

En de oude ontwaakte niet tot groter leed.

In stilheid lagen beide lijken daar;

Sluiten