Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met veel grooter vreugde begroet, dan vroeger de geboorte van het nieuwe zusje; dat in haar oogen al een heel dom, onnoozel wezentje was, altoos maar schreeuwend als het iets hebben wou, en dat nog niet eens wist te antwoorden op haar naam: Julie. Zij verklaarde plechtig, hoe zij veel meer hield van broer George, die zoo prettig met haar kon spelen, en allerlei mooie dingen wist te maken, dan van het onverstandige kindje in de wieg. En zoo was het ook gebleven, — later, — toen op dien grooten broer nog een paar kleinere, in het genre van Julie, volgden. „Dat zijn maar ,,de kleintjes'' zei Hélène, als zij van hen sprak. „Maar George is altijd groot geweest."

Later was ook de heer Ruijsdael gestorven; hij had den heer Rendell tot voogd over zijn kind benoemd; en de knaap werd van toen af geheel als oudste zoon beschouwd, en gewende er zich aan zijn pleegouders papa en mama te noemen, even als de overige kinderen dat deden. — Het was op den avond van de begrafenis geweest, — toen hare moeder haar kwam goedennacht zeggen in haar bedje, — dat Hélène de armen om haar hals geslagen en gevraagd had: „Niet waar mama, nu is George heelemaal

Sluiten